Interview met Anna Tilroe
Door Gemma Schoot in 'Netwerk; stadsregio Arnhem Nijmegen',
voorjaar 2008.
Kunst en het streven naar menselijke grootsheid
Arnhem maakt zich momenteel op voor ‘Sonsbeek 2008: Grandeur’. Het is de tiende editie van de internationale beeldententoonstelling die Arnhem sinds 1949 ongeveer iedere zeven jaar organiseert. Artistiek directeur, de kunstcriticus Anna Tilroe, betrekt er ook de Arnhemse inwoners bij, door middel van een processie. “Het enthousiasme is enorm”, vertelt ze.
‘Sonsbeek’ heeft sinds 1949 een grote reputatie opgebouwd. De internationale kunstwereld kijkt er telkens weer uit naar uit, benieuwd naar wat de kunstwerken aan visies en tendensen zullen laten zien.
De tiende aflevering van een reeks legendarische tentoonstellingen, dat is bijzonder. De gemeente Arnhem realiseert zich dat en steunt de tentoonstelling op allerlei manieren. In februari is burgemeester Pauline Krikke zelfs met artistiek directeur Anna Tilroe meegereisd naar New York om de tentoonstelling te promoten.
Anna Tilroe is gevraagd voor de artistieke leiding van Sonsbeek 2008 vanwege haar ideeën over de positie van de kunst in de samenleving. Als kunstcriticus heeft ze daar veel over geschreven, eerst in de Volkskrant, de laatste vijftien jaar vooral in NRC Handelsblad.
“Ik vind dat de kunst in de afgelopen dertig jaar heel erg geïsoleerd is geraakt en steeds meer naar binnen is gekeerd. Kunst is alleen maar kunstwereld is geworden”, vertelt ze. “De betekenis van de kunst voor de samenleving is steeds meer afgenomen. Niet gemeten aan de enorme bedragen geld die erin omgaan, maar wel als het gaat om vragen als: in wat voor wereld leven wij en hoe zou de wereld er uit kunnen zien? Een kunstenaar kan die vragen op een heel bijzondere manier belichten en in een nieuw perspectief plaatsen. Maar door de manier waarop erover wordt gecommuniceerd, sijpelen de kunstenaarsideeën niet door in de samenleving.”
Als “criticus van nature” was het nooit haar ambitie om tentoonstellingen te maken. Het verbaasde haar dat ze gevraagd werd, maar ze voelde zich ook vereerd. “Ik vind het een groot geschenk.”
Maar is juist een beschouwelijk criticus niet heel goed in staat de ontwikkelingen laten zien?
“Ik werk, denk ik, vanuit een ander perspectief dan de reguliere tentoonstellingen¬makers. Mijn idee voor ‘Sonsbeek’ wijkt dan ook af van wat gangbaar is. Ten eerste is het thema Grandeur niet wat men verwacht. Ten tweede worden de dertig kunstwerken, die gemaakt worden naar aanleiding van het thema, op een ongewone manier aan het publiek getoond: ze worden op 8 juni door groepen inwoners in een processie door de stad gedragen. De processie is bedoeld om het engagement van de bevolking met de kunst tot stand te brengen. Niet met een spelletjesactige interactie met het publiek, of in een kader van sociaal werk. Dat heeft ook z’n waarde maar die is hier niet aan de orde.”
“Natuurlijk gaan mensen niet zo maar iets dragen wat zwaar is en veel inspanning vergt. Dat betekent dat je hun engagement moet zoeken, informatie moet geven over het kunstwerk en de kunstenaar die er zelf ook zo veel mogelijk bij betrokken wordt, en dat je ze via educatieve programma’s enthousiast maakt. De kunstwerken worden dan iets van hen, en niet alleen maar van de incrowd die toch wel komt.”
Geïnteresseerde Arnhemmers konden zich aanmelden om een ‘draaggilde’ te vormen. Onder andere de sambaschool, gemeenteambtenaren en vrouwelijke ondernemers hebben dat gedaan. Er is zelfs een gilde van Vitesse-supporters. Sommige kunstenaars geven zelf aan wat voor gilde ze willen. Zo vroegen twee Zwitserse kunstenaars met interesse in kunstmatige tuinen en natuurlijke groeiprocessen om een gilde van volkstuintjeshouders. Daar is een heel leuk contact uit voortgekomen.
Hoe komt het dat deze aanpak zo landt op dit moment?
“Ik denk doordat onze aanpak mensen de kans biedt bij kunst betrokken te zijn. Het is helemaal niet zo dat mensen niet in kunst zijn geïnteresseerd. Ze hebben zich eerder buitengesloten gevoeld. Alsof kunst een speeltje is van de elite. Nu gaan de deuren open.”
“Het thema slaat ook erg aan: grandeur als streven naar menselijke grootheid. Mensen zijn bezorgdheid over de westerse cultuur en de clash met andere culturen. Dat dwingt ons voortdurend om na te denken over wat nu de westerse waarden zijn. Als een andere cultuur ons die vraag stelt – en dat gebeurt er nu – wat zeggen we dan? We hebben zelf ook veel kritiek op onze samenleving. De kranten staan vol van wat er niet deugt: het drinkgedrag van jongeren, kindermishandeling, extreme pornografie. De samenleving heeft last van die ontsporingen. In alle sectoren stellen mensen zichzelf daarover vragen. Wat willen we eigenlijk voor onze toekomst? Hoe willen we omgaan met de individuele vrijheid die we sinds de jaren zestig hebben bevochten? Is die vrijheid niet te ver doorgeslagen? Als de één vrijheid claimt voor zichzelf, tast hij daarmee niet de vrijheid van de ander aan? Dat zijn heel belangrijke morele vragen. Het thema Grandeur stelt die vragen via de kunst centraal. De politiek kan ze niet beantwoorden. Religies wel, maar dan krijgen mensen weer regels opgelegd, terwijl de ontwikkeling in de westerse cultuur juist was dat mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor de manier waarop ze in de wereld staan. Zo bezien zou het een terugval zijn als je de moraal in handen legt van religieuze of politieke autoriteiten. Voor mij is het belang van kunst dat ze gemaakt wordt door individuen die op een ongewone, scherpzinnige manier kwesties aan de orde stellen, die over onszelf gaan en over de wereld waarin we leven.”
Dit zoeken van de samenleving naar menselijke grootsheid was het perspectief van waaruit Anna Tilroe dertig kunstenaars selecteerde, die zich echt engageren met het thema. Daarvoor bezocht ze het eerste half jaar na haar benoeming over de hele wereld tentoonstellingen en beurzen. Met die specifieke blik bekeek ze het werk van talloze kunstenaars. Sommige van hen maakten echt fantastisch werk, maar helaas, het paste niet bij het thema Grandeur.
De dertig gekozenen benaderen het thema vanuit verschillende invalshoeken. Strijd en conflict bijvoorbeeld. Anna Tilroe: “Streven naar menselijke grootsheid betekent boven jezelf uitstijgen en dat gaat vaak gepaard met innerlijke conflicten. Niemand is groots van zichzelf. Grootsheid is iets wat je moet bevechten, op jezelf en op je omgeving. Het heeft te maken met de ander, je kunt alleen groots zijn door wat je voor anderen betekent. De processie sluit daar mooi op aan, want je doet samen iets, in dit geval iets dragen wat je waardevol vindt. Die morele aspecten spelen dus sterk mee. Eén kunstenaar maakt zelfs iets rond het thema compassie, een woord dat we nu bijna als ouderwets ervaren. Dat op zichzelf is al een teken aan de wand.”
Is dat een verlangen om compassie over te dragen of een verlangen om het te ervaren?
“Kunst vult niet in wat compassie is, maar legt de vraag aan de mensen voor, zodat zij erover gaan praten. Andere kunstenaars laten bijvoorbeeld de grandeur van de natuur zien, omdat die door de mens ernstig wordt bedreigd. Dat lijkt misschien niet direct in relatie tot menselijke grootsheid te staan, maar wij zijn wel de hoeders van de natuur. Dus de vraag is: wat doen met onze planeet? Een andere kunstenaar stelt de grandeur van de kunst zelf aan de orde. Want kunst is uiteindelijk een uiting van de onbegrensde, menselijke verbeelding. Dat wordt in deze Sonsbeek-editie via de processie gecelebreerd.”
Avontuur
Anna Tilroe is geen kunsthistoricus van huis uit, ze heeft Frans gestudeerd. Haar hele kunstkritische loopbaan benoemt ze als een groot avontuur. “Als autodidact bouw je heel eigen standpunten op, los van academische begrippen. Ik heb me altijd wat buiten de kunstwereld gehouden. Het hoort ook wel bij een criticus dat je afstand houdt. Maar tegelijkertijd is de kunstwereld natuurlijk toch mijn wereld geworden. Ik weet er in ieder geval heel veel van.”
Kunstkritiek is voor haar het kunstwerk beschouwen en ontleden met een open, nieuwsgierige geest, zonder zelfgenoegzaamheid, zich niet baserend op een theorie of systeem. Het valt op hoe ze in de interviews met kunstenaars en vormgevers blijft doorvragen, hun uitspraken ter discussie stelt en hun ermee confronteert. Dat kritische heeft ze geërfd van haar vader die erg kritisch over de wereld dacht. Voor de kunst hadden haar ouders geen belangstelling. Des te merkwaardiger was het moment dat zij de kunst ontdekte. “Ik was dertien en zag in een blad de sculpturen van Alberto Giacometti: dunne, langgerekte mensfiguren. Ik was zo onder de indruk dat ik de posters van filmsterren van de muur van mijn meisjeskamer haalde en ze verving door de plaatjes uit dat blad. Zijn beelden raakten me zo diep. Ook al snap je als kind nog niet goed waarom, je voelt heel sterk dat het belangrijk is. Als criticus heb ik altijd de enorme behoefte gehad om die bijzonderheid van kunstwerken over te dragen op andere mensen. De verwondering erover maar ook de vragen die ze oproepen.”
“Als ‘buitenstaander’ stuitte ik natuurlijk op al die kunsthistorici die de moderne kunst inkapselen in een academische taal. Ik vond die ‘artspeak’ altijd heel beperkend. Daarom heb ik ook altijd bij voorkeur in de krant geschreven. In kranten moet je verstaanbaar in informatief zijn. Het was voor mij een fantastisch podium om aan de ene kant een groter publiek te informeren over kunst en aan de andere kant mijn vakgenoten te prikkelen en kritisch te bejegenen.”
Wanneer geniet u zelf als u kunst ziet?
“Als ik goede kunst zie, voel ik het meteen. Toen ik in New York was met Pauline Krikke, heb ik daar een zo goed als onbekende Japanse kunstenares bezocht. Ze deelt, omdat ze nauwelijks inkomen heeft, in het hartje van Queens een klein atelier met twee andere kunstenaars. Toen ik haar werk zag, dacht ik meteen: Yes! Geweldig! Je ziet dan een bepaalde bijzonderheid die verband heeft met iets in jezelf wat je als belangrijk ervaart. Het verbaasde me dan ook niet dat zij meteen begreep waar ik het over had toen ik over het thema Grandeur vertelde. Via het werk was het contact al tot stand gekomen.”
Wat voor advies geeft u aan mensen die naar kunst gaan kijken?
“Je moet drie dingen in de gaten houden: wat is het idee achter het kunstwerk? Dan: is dat idee echt interessant? En vervolgens: is het op een oorspronkelijke manier vormgegeven? Die vragen doen een beroep op je bereidwilligheid om echt te kijken naar kunst. Meer dan de vraag of je het mooi vindt of niet, want dan schakel je kunst gelijk met alles wat mooi kan zijn: een tuin, een interieur, een kledingstuk. Dat gaat over smaak. Kunst gaat over méér dan smaak. Kunst gaat over de wereld, over de mens, over iets wat ons te boven gaat en wat wij niet meer begrijpen. Dan is aan de orde: prikkelt het kunstwerk mijn verbeelding, zet het mij aan tot denken over iets waarover ik tot nu toe nog niet heb nagedacht? Sommige kunstenaars kunnen dat met heel simpele middelen bewerkstelligen.”
Maar er is toch ook een de decoratieve kant aan kunst?
“Ja, maar naarmate je er meer gevoel voor krijgt dat kunst vooral over ideeën gaat en niet in de eerste plaats bij de bank moet passen, gaat kunst heel anders voor je functioneren. Dan werkt het andersom, dan gaat bij wijze van spreken de bank eruit zodat het kunstwerk beter tot z’n recht komt. Dat kunstwerk is dan waardevoller voor je dan het meubilair; het wordt een statement of een onmisbare aanwezigheid in je leven. Daarmee wil ik niet zeggen dat de esthetiek van een kunstwerk niet meespeelt. Maar we hebben in de twintigste eeuw van kunst geleerd, dat in wat we als lelijk ervaren ook schoonheid valt te ontdekken. Dat opent onze ogen voor wat we door onze aanvankelijke afkeer niet konden zien. Daardoor verandert misschien het beeld dat we ervan hadden. En dat is altijd winst.”