Kunstbeeld 6 | 2008
Sonsbeek en Lustwarande. Een vooruitblik op twee kunstmanifestaties in een park.
Komende juni opent de tiende editie van Sonsbeek in het gelijknamige park in Arnhem, samengesteld door kunstcriticus Anna Tilroe. Amper twee weken later opent Lustwarande- Wanderland, in Tilburg. Ook hier zit de kunst tussen het loof. De Lustwarande (de derde editie) is een relatief groentje, zeker vergeleken met de Sonsbeek tentoonstelling, die al sinds 1949 op onregelmatige basis wordt georganiseerd. De eerste editie van de Lustwarande stamt uit 2000. Beide kunstmanifestaties spelen zich af in het openbaar groen van een park. Maar houdt daarmee de vergelijking op? Voor de expositie in park Sonsbeek opent, zullen de beelden in processie gedragen worden door verschillende groepen Arnhemmers, voor ze in het park terechtkomen. In Tilburg zullen de beelden ‘gewoon’ verspreid over het park staan.
De Canadese kunstenaar Jon Pylypchuk is net ingevlogen uit Canada. Hij tuurt door een grote, wat vettige bril de stationsrestauratie bij het station in Tilburg in, waar hij heeft afgesproken met curator Chris Driessen. Hij gaat een kijkje nemen in het 17de-eeuwse barokke sterbos aan de rand van Tilburg, als een van de 27 deelnemende kunstenaars Lustwarande 2008: Wanderland. De paden lopen in geometrische patronen, ideaal om te verdwalen. Op dat moment ligt de opening nog een maand voor ons. Altijd speelt het park zelf een belangrijke rol in de expositie. De schoonheid van de natuur en het gebied, dat als een doolhof is opgezet, versterken of beconcurreren juist de kunst. Vier jaar geleden draaide de Lustwarande om de desoriënterende
schoonheid, deze keer wil Driessen met de kunstenaars die hij uitkoos de nadruk leggen op een dwaalwereld, waarin het groteske overheerst. De meeste kunstenaars die Driessen selecteerde, werken met tijdelijke materialen, zoals David Bade, die in 2001 zijn eerste sculptuur in de openbare ruimte maakte voor Rotterdam. Opgebouwd uit vergankelijk materiaal, van stof en piepschuim, puinzakken en een pallet werd het sculptuur in het meer beklijvende polyester afgegoten. De kunstenaars van Wanderland bouwen werelden van cartooneske mensfiguren, of bizarre mens-monsters. Zo ook Pylypchuk. Hij denkt erover om een neushoorn te maken, die een kruiwagen voortduwt, met daarin een enorm paar ballen. Die rood worden als het regent. Of misschien wel iets heel anders, hij is er nog niet uit. Wel zal naar alle waarschijnlijkheid het sculptuur uit textiel en afvalmateriaal bestaan. Of brons, maar ook dat is nog niet zeker. Hij heeft nog een maand om erover na te denken. Kunst in parken is een variant op kunst in de openbare ruimte. Alleen hoeft de kunst nu niet te concurreren met het urbane: reclame, verkeersborden, lawaai, drukte. Wel is de kunst bijna als vanzelf gedwongen tot communicatie met het groen, met de bomen van het park. Of met een kabbelend meertje. Toch, vertelt Driessen, is Wanderland eigenlijk een expositie, die net zo goed binnen de muren van een museum zou passen. De kunstenaars maken hun werk, zetten het in de natuur, en daar staat het dan. Soms kan het werk niet op tegen de natuur, en soms gaat het een mooi, vaak subtiel samenspel aan. Kunst in parken is typisch iets voor de zomer, en bereikt een groot publiek. Een voordeel, vindt Driessen. Toch zal een deel van de expositie zich afspelen in museum De Pont. Daar zal het werk van David Altmejd worden geëxposeerd. Ook hij maakt installaties uit restmaterialen. Hij vulde het Canadese paviljoen van de Biënnale van Venetië in 2007 met zijn installatie vol spiegels, kristallen, nepjuwelen van enorme omvang. In dat paradijs van klatergoud lag een enorme reus, behaard, vol gaten en in halfvergane toestand. Altmejd wil dat zijn werk verleidelijk is, ondanks het verrottingsproces dat hij ook uitbeeldt. Zijn wereld is vergankelijk, zijn mensfiguren kunnen ineens een vogelkop hebben, of ze hebben een nachtelijke bijbaan als weerwolf. Altmejds werk is lang zo duister niet als je zou denken: iets wat is vergaan, biedt vervolgens mogelijkheden tot groei en ontwikkeling van andere wezens. Veel-lagig is zijn werk, als een ingewikkeld sprookje, dat je op verschillende manieren kunt interpreteren. Zijn beelden kun je inderdaad grotesk noemen, net als dat van een andere deelnemer: Jonathan Meese, die vooral bekend is vanwege zijn expressionistische en
bizar aandoende constellaties van teksten, schilderingen en installaties. Hij voert zichzelf, al dan niet verkleed, regelmatig op als karakter, bezig met het chaotisch uitleven van fantasieën over zware thema’s als seks, leven en dood, maar ook met verwijzingen naar de kunstgeschiedenis. Het zal Meese plezieren, dat ook Paul McCarthy mee zal doen, hoewel nog onder voorbehoud.
Onlangs was in het S.M.A.K. in Gent een duizelingwekkende expositie te zien met het werk van de Amerikaan, al smerend met nepbloed, zijn eigen been afzagend, en dat alles in een hypnotiserende installatie vol video’s, deels geprojecteerd op piratenschepen en andere bouwsels.
De focus door kunstenaars op het groteske is volgens Driessen een reactie op de aanslag van 9/11, de daaropvolgende oorlog in Irak en de angst voor terrorisme. Kunstenaars uit binnen- en buitenland vertalen die gebeurtenissen in fantastische, bizarre kunstwerken. Driessen wil hun werk laten woekeren in het park. Lustwarande laat ook veel formeler werk zien, als een rustpunt misschien. Denk aan de architectonische objecten van Miroslav Balka, maar ook Subodh Gupta biedt een rustiger aanblik; hoewel hij de meest glanzende objecten maakt van bijvoorbeeld keukengerei, zoals een manshoge doodskop, die vorig jaar langs het Canal Grande van Venetië prijkte. Zijn werk schittert en glanst, maar is toch stukken formeler dan de sculpturen uit piepschuim en purschuim, stof en kippengaas die we kunnen verwachten in het bos.
Tegen de tijd dat de Lustwarande haar beelden toont aan het rondslenterende publiek, heeft Sonsbeek al een feestelijke processie achter de rug. Waar Driessen wil laten zien in welke richting de hedendaagse kunst zich ontwikkelt, kiest kunstcritica en – nu dan ook – curator Anna Tilroe voor een hele andere invalshoek. Ze wil de kunst een bedding geven in de Arnhemse samenleving. Letterlijk zullen de bewoners van Arnhem de kunst op de schouders dragen in een processie door de Arnhemse binnenstad op 8 juni.
De organisatie van Sonsbeek 10 heeft haar intrek genomen in een oude, mooi opgeknapte boerderij pal naast het park. Op de voormalige deel wordt hard gewerkt aan de catalogus, en her en der zitten medewerkers ijverig te typen op hun witte macs. Tilroe resideert in een lichte kamer met klein keukentje en een indrukwekkende schouw. Op de tafel ligt binnen handbereik een stapel cd’s, ‘The essential Barbara Streisand’ bovenop. Achter haar prijken boeken van populaire en toegankelijke filosofen als Alain de Botton met zijn ‘De architectuur van het geluk’. Tilroe legt uit, dat het van belang is dat Sonsbeek 10
de Arnhemmers bereikt en betrekt. “Wil er nog een Sonsbeek 11 komen, dan is het van belang dat deze editie een succes wordt.” Dat is geen verrassing, de voorgaande edities hadden regelmatig te kampen met tekorten: in bezoekersaantallen en in de financiën. Weliswaar was bijvoorbeeld Sonsbeek Buiten de Perken in 1971 enorm spraakmakend: Wim Beeren liet het park deels achter zich met land art projecten in de omgeving, met conceptuele kunst. Het was een succes in de kunstgeschiedenis, maar deels onbegrepen door het grote publiek. Daarna waren de edities ook niet altijd even succesvol: in 1993 en 2001 trok de kunst de stad in.
Toch was er nog steeds kritiek: de kunst moest het afleggen tegen de omgeving, kunstwerken waren onvindbaar, het kunstdiscours was onnavolgbaar voor buitenstaanders. Niet goed, vond Tilroe. Nu wil ze de Arnhemmer betrekken door de kunst door de stad te dragen, om uiteindelijk in het park tot een expositie te komen. Is deze aanpak een kritiek, op voorgaande edities, misschien wel op de musea, die teveel in hun ivoren toren zitten, en de kunst omhullen in ontoegankelijk jargon, zoals ze diverse malen aanhaalt in haar publicatie ‘Het Blinkende Stof’ uit 2002 ? “Nee, zo moet je dat niet zien. Het is eerder een voorstel. Grandeur is het overkoepelende thema, en om precies te zijn, gaat het om het streven naar menselijke grootsheid, het verlangen om boven jezelf uit te stijgen. Het gaat niet om antwoorden geven, maar om een opening te creëren in het gesprek over de ontwikkelingen in de kunst en in de westerse cultuur, die nu aan de gang zijn. Daarbij moet je denken aan de migratiestromen, en het feit dat het westen niet meer dominant is.”
Tilroe wil signaleren, en vervolgens kiest ze voor een positieve benadering: “Positief in die zin dat een beeld ontstaat waar je mee verder kan. De expositie in het Arsenale op de Biënnale van Venetië van 2007 was buitengewoon deprimerend, alles was oorlog, geweld, en treurnis. Ik had een enorm gevoel van déjà vu. Maar de vraag die daar niet naar voren kwam, is vooral hoe nu verder te gaan. Niet dat de kunst met pasklare oplossingen moet komen, maar kunst kan nieuwe mogelijkheden laten zien. Kunst kan het onmogelijke denken, kunst is menselijke verbeelding, heel simpel, zo moet je ook de seculiere processie zien, die een celebratie van menselijke verbeelding is. Die menselijke verbeelding is niet alleen voorbehouden aan kunstenaars en aan de elite.”
Sonsbeek 10 wil dan ook toegankelijk zijn, zonder dichtgetimmerde kunstpraat. Geen ivoren toren, maar begrijpelijkheid. En Sonsbeek ambieert betrokkenheid van het publiek met de kunst. Die betrokkenheid is nu al merkbaar, in de aanloop voor de processie. Er zijn draaggildes opgericht, die druk aan het oefenen zijn, en iedereen is enthousiast, vertelt Tilroe. Er is bijvoorbeeld één gilde bestaande uit katholieken en moslims, er is een gilde van gemeenteambtenaren, die een gouden ezel zullen ronddragen van de Britse kunstenaar
Stephen Wilks. Twee volkstuinverenigingen, een uit het welvarende Arnhem Noord, een uit de Vogelaarwijk Arnhem Zuid, werken voor het eerst samen. De –seculiere- processie is een symbolisch gebaar: kunst is waardevol, en met de processie vraagt de tentoonstellingsmaker het engagement van de bewoners van Arnhem.
De focus ligt op het wat ongrijpbare Grandeur. Tilroe: “Het streven naar menselijke grootsheid, het verlangen naar groei en ontwikkeling, de wens om boven jezelf uit te stijgen is van alle tijden”. Dat moeten we onder Grandeur verstaan. Meteen schieten beelden van weelderig gedecoreerde balzalen in gedachten: rijkdom en goudglans, wellustig rijk gedecoreerde kunst.
Maar dat blijkt vooral een stereotype idee, bij het bekijken van de lijst van deelnemende kunstenaars bekijkt. Daar zit een iconoclast als Fernando Sànchez Castillo tussen. Deze kunstenaar, die vorig jaar exposeerde in het Stedelijk Museum Schiedam, haalt kopstukken door het slijk: standbeelden van machthebbers, met name van Franco, sleept hij met een flink voertuig door de modder. Hij pakt de machthebbers aan, en breekt ze af. Dat lijkt een gezonde benadering, in een stoet van grootse kunst. Hij is overigens niet de enige, de Franse kunstenaar Alain Sechas richt zich ook al op standbeelden. Hij reduceerde in Centaure Mourant 2.0 (2008) een centaur tot een ineengestort hoopje onderdelen. Ook een ineengestort standbeeld, maar met een totaal andere lading. Sechas laat het einde van de mythologieën zien, de centaur staat onder meer symbool voor een ongerept natuurleven. Maar het sterfproces is omkeerbaar; het witte beeld heeft een mechaniek, en schiet zo weer terug in de oude vorm, om telkens en telkens opnieuw te kunnen sterven. De kunstenaar levert voor Sonsbeek 10 een vier meter lang beeld af, Lazy King, dat rustig in het gras ligt en bedachtzaam alles overdenkt.
Sechas neemt het steven naar grootsheid op de korrel: er moet ook tijd zijn voor nietsdoen, voor contemplatie. Dat het niet al goud is wat er blinkt in Sonsbeek zien we ook bij Serge Onnen bijvoorbeeld. Hij wil met twee roulettetafels in de boom kritiek leveren op consumptie- en gokdrang. Dit is een andere kant van Grandeur: zo gewonnen, zo geronnen.
Bij het uitzoeken van de kunstenaars ging het de curator-criticus vooral om het oeuvre van de kunstenaar. Dat moest consistent zijn, en vanuit zichzelf al aansluiten bij het thema van Grandeur. Tilroe: “Soms kon ik kunstenaars erop wijzen, dan hadden ze dat zelf niet eens opgemerkt.” De kunstenaars leverden hun plannen in voor Sonsbeek, na lange gesprekken met Tilroe te hebben gevoerd.
Er zit een aantal kunstenaars tussen dat mooi werk maakt, werk dat visueel lekker is, zoals de constellaties van Gerda Steiner en Jörg Lenzlinger. Ze bouwen aan neurale netwerken, ze zetten een weelderige wereld neer vol natuurelementen, kleine vogeltjes bijvoorbeeld, of een witte wereld onder een stolp, waar een kraai over waakt, zoals vorig jaar nog in Museum Boijmans van Beuningen tezien was. Hun wereld is organisch maar reageert op zijn omgeving, als bijvoorbeeld een schilderij uitgangspunt is voor een wildgroei aan takjes en bloemetjes. Met hun werk wil Tilroe laten zien, dat de mens, de kunstenaar in staat is iets te maken, dat verwondering oproept. En dat is een typisch menselijke en mooie eigenschap, vindt ze. De kunstenaars van Sonsbeek Grandeur zijn niet alleen op verleiding uit. Neem nou de Ghanese kunstenaar El Anatsui. Zijn werk bestaat uit noppen en doppen en restmaterialen, in samenwerking met een dorp uit Nigeria aan elkaar gezet tot fantastische wandtapijten. Hoewel de glans van wegwerp materiaal is en de materialen tijdelijk zijn. Zo’n werk spreekt dan ook extra aan als je bedenkt dat het een sociaal aspect heeft. Met een heel dorp kom je verder dan alleen. Deze kunstenaar doet op zijn manier hetzelfde als wat de Sonsbeekprocessie beoogt: samenwerken. Je zou het kunnen vergelijken met de sociale kunst, waarbij actief betrokkenheid wordt gezocht van buurtbewoners, in projecten die sociale cohesie willen bevorderen. Tilroe: “De kunst mag helemaal zichzelf zijn. Het sociale zit voor een groot deel in de presentatie, eigenlijk is de hele processie een sociaal kunstwerk geworden. Josef Beuys zou erbij in zijn handen knijpen.”
Dat er ook aandacht is voor de grandeur van de natuur – geen gek idee, als je kunst in het groen toont – illustreert de bijdrage van Michel François. Zijn wat verstilde werk waarin bomen, water of natuurgeluiden regelmatig voorkomen, doet het goed in parken. Hij deed al mee aan zowel Sonsbeek in 2001 als de Lustwarande in 2004. Nu zal hij een boom in evenwicht laten balanceren, loof en wortels beide boven de grond. De natuur is hier wel een menselijke constructie, en staat zeker niet los van de ingrijpende en vormgevende mens, die François grijpt ook stevig in, met een poëtische sculptuur tot gevolg. Gelukkig is er wel een aanpassing voor het gilde dat deze boom moet dragen: er wordt een jongere, kleinere versie geregeld met een wiel onder de aardkluit. Ook Matthew Monahan duikt het park in. Hij heeft zich verdiept in het gegeven van de sierkluizenaar, naar het schijnt een trend in het 19deeeuwse Engeland. Oude mannen met baard zouden ingehuurd zijn, om als een kluizenaar het landgoed te bewonen. Sonsbeek is naar analogie van die Britse parken ingericht. Een echte sierkluizenaar ontbreekt nog in Arnhem, wel is er elke zomer een aantal mensen die hun intrek in het park neemt. Hij wil een platform voor de processie maken, dat tegelijkertijd kan dienen als beschutte plek voor een zogenaamde sierkluizenaar. Dat zal in de praktijk een van de bewoners van het park zijn. Als het werk daadwerkelijk als schuilplaats gebruikt gaat worden, zit er een sociaal tintje aan: de have-nots worden niet over het hoofd gezien.
De bijdragen van beide kunstenaars roepen gemakkelijk de vraag op of natuur zonder menselijke bemoeienis nog wel bestaat. Hier in Nederland in ieder geval niet, waar alles uitgedokterd is, gepland staat en bijgehouden wordt. Natuur, in gesublimeerde vorm het park, is net zo goed cultuur, net als een schilderij of een computergame.
Dat er best plaats is voor zoiets ongrijpbaars als computergames zien we in de bijdrage van Brody Condon. Deze Amerikaanse kunstenaar werkt met gamekarakters, die hij vast laat lopen in abstracte sterfscènes zoals die in games voorkomen. Hij organiseert performances, waarin hij bijvoorbeeld een acteur in fantasiemiddeleeuwse wapenrusting in slow motion over de grond laat rollen, als een vertaling van een performance van Bruce Nauman uit 1973, maar ook verwijzend naar de manier van sterven in games. Condon is digitaal, met de voeten in de game-wereld. Wel blijft zijn referentiekader de mens, en de kunstgeschiedenis. Dat is een onverwachte en intrigerende combinatie, een oud thema in een digitaal jasje. De mens ontwikkelt zich, maar blijft sterfelijk, nieuwe technieken doen daar niets aan af, laat Condon zien met zijn reeks KarmaPhysics (2004), waarin hij onder andere enkele Elvissen door de ruimte laat zweven. Ze maken de bewegingen van stervende gamekarakters uit de game ‘Unreal’. Overigens bestaat Condons bijdrage aan Sonsbeek niet uit een sculptuur, maar uit Life Acting Role Playing; gaming in het echt, compleet met fantasiekostuums, door real-life mensen uitgevoerd in het park gedurende de expositieperiode. Kunst in parken is een idyllische versie –het park is een soort hof van Eden, een sprankje natuur om de stadmens lucht te geven- van kunst in de openbare ruimte. De problematiek is min of meer hetzelfde: hoe verhoudt de kunst
zich tot zijn omgeving? In de Lustwarande mengt de kunst zich met het bos en roept soms verbazing op, verwondering of vervreemding. In Sonsbeek zit het vol verwijzingen, naar de mens, naar het park zelf als verblijfplaats, als gecultiveerde natuur. Het meest opvallend is wel die processie die als in een toverformule gemeenschapzin aan de kunst toevoegt. Beide manifestaties houden zich bezig met de huidige tijd, met het leven na de aanslag in 2001. In de Lustwarande draait het om het groteske als reactie op de ontwikkelingen na die aanslag. Sonsbeek richt zich vooral op een positieve visie op de mens en zijn mogelijkheden, erop gericht om de veranderde en zoekende samenleving een hart onder de riem te steken.