Sonsbeek 2008
Tentoonstelling:
13 juni t/m 21 september

Grandeur en moraal

Door Dorien Pessers
- in het kader van het Sonsbeek 2008 Symposium op 21 september 2008

Dames en heren,

Het thema Grandeur en Moraal roept in eerste instantie voor de hand liggende associaties op: de morele grandeur van iconen als Nelson Mandela, Moeder Theresa, de Barmhartige Samaritaan: actuele en klassieke voorbeelden van zelf-verloochening en zelf-opoffering, van naastenliefde en generositeit. Het gaat mij in deze lezing echter niet om bijzondere individuen en hun morele handelen, maar om de bronnen van dat morele handelen en – overeenkomstig het verzoek van Anna Tilroe - naar de betekenis van grandeur in dat verband.  Kan het verlangen naar grandeur een moreel effect hebben? En kan kunst dit verlangen naar grandeur opwekken?

Nemen we eerst het begrip grandeur. Ook hier is er weer een spontane associatie: we denken al snel aan Frankrijk, waar het verlangen naar grandeur – althans bij de bestuurlijke elite – moeilijk te miskennen valt. Het Ancien Régime met de pracht en praal van koningen als Lodewijk XIV mag dan door de Franse Revolutie ten val zijn gebracht, de vrij geboren burgers die de macht overnamen en God en vorst hadden afgezworen, deden voor de aristocraten niet onder in hun verlangen naar grandeur. Ceremonies, feesten, processies, altaren van de Rede, monumenten,  vlaggen, openbare gebouwen: ze waren alle uitdrukking van de nieuwe maatschappij die in de sleutel van een hogere orde werd gezet. Net zoals onder het Ancien Régime, diende ook onder het revolutionaire regime deze geënsceneerde en iconische grandeur mede - en vooral – de legitimatie van het politieke systeem.

Waar we in ieder geval niet aan denken bij de term grandeur, is aan Nederland. In Huizinga’s beroemde ontleding van de Hollandse cultuur in de XVIIe eeuw in en zijn tijdsdiagnose Nederlands geestesmerk, komt grandeur niet voor. Matigheid, soberheid, nuchterheid zouden Nederland kenmerken. Waar zouden Nederlanders grandeur vandaan moeten halen? De Nederlandse hofcultuur beperkte zich voornamelijk tot Den Haag, de tendens naar egalitaire verhoudingen is altijd heel sterk geweest, de sobere, calvinistische levensinstelling met haar nadruk op verstilde innerlijkheid heeft een afkeer van iconen en theatrale uiterlijkheid en misschien zelfs een angst voor grandeur tot gevolg gehad.

Zijn dit factoren uit het nationale verleden, ook het heden biedt geen rijke voedingsbodem voor grandeur. Integendeel, je hoeft je niet in het koor van Nederland-bashers te mengen, om te constateren – nemen we de Algemene Beschouwingen van afgelopen week – dat er bij de politieke en bestuurlijke elite geen verlangen naar grandeur bestaat. We hoorden geen verhalen over mooie vergezichten die de beste krachten van de burgers zouden kunnen mobiliseren, geen verbeelding van wat een schatrijke samenleving als de onze óók zou kunnen zijn, laat staan utopieën over internationale solidariteit, kortom, we hoorden niets dat ons in verleiding zou kunnen brengen om boven ons zelf uit te stijgen, om ons zelf te verheffen (de PvdA spreekt al lang niet meer over verheffing van het volk), om zelf te dromen en te fantaseren over een andere, nieuwe en betere wereld. In plaats daarvan ging het – zoals Marianne Thieme terecht constateerde - alleen maar over geld, geld en nog eens geld. Onze huidige samenleving – en nu varieer ik graag op een uitspraak van Claude Lévi-Strauss, de Franse antropoloog die in november aanstaande 100 jaar wordt – scherpt weliswaar de calculerende intelligentie, maar dooft de geest en de verbeeldingskracht van de burgers.

In een dergelijk klimaat getuigt het van moed dat Anna Tilroe het thema grandeur aan de orde wilde stellen. Ik weet het niet zeker, maar acht het zeer waarschijnlijk dat zij vanaf het moment dat zij dit thema koos, zich bewust is geweest van de benepenheid van de reacties die haar in Nederland ten deel zouden kunnen vallen. Maar ik vind het een teken van grandeur dat degene die de kans krijgt om één keer in haar leven de prestigieuze Sonsbeek-tentoonstelling te organiseren, meteen voor het thema Grandeur kiest! Wordt zo’n kans je in de schoot geworpen, dan behoor je immers niet flauw en angstig in te zetten. Het zijn alleen kleine zielen die zich door een dergelijk thema niet laten inspireren, die daarin geen ontsnapping zien naar de verbeelding van een andere wereld, vooralsnog imaginair, maar die uiteindelijk reële effecten kan sorteren. Want grandeur is in de eerste plaats een categorie van het imaginaire, van het dromen en het dagdromen, van het verleiden en verbeelden, van het interpreteren en herinterpreteren van de waargenomen feitelijkheid. En deze imaginaire dimensie van grandeur, kan een van de bronnen van moraal zijn.

Ter wille van de duidelijkheid zal ik in deze lezing twee bronnen van moraal bespreken: de reële, feitelijke orde waarin we leven als bron van moraal, en de imaginaire orde als bron van moraal.  
De feitelijke sociale orde is – zoals sociologen hebben beschreven – de bron van een minstens minimale moraal. Moraal hoeft niet in eerste instantie gezocht te worden in het gedetailleerde systeem van geboden en verboden dat bijvoorbeeld religies kenmerkt, maar in de samenleving zelf. Willen mensen overleven – en vrijwel elk mens heeft een overlevingsinstinct – dan zullen zij in gemeenschappen moeten leven. Willen gemeenschappen – en dus ook de individuen overleven – dan zullen zij op grond van welbegrepen eigenbelang een paar minimale morele regels in acht moeten nemen: gij zult de ander niet doden, gij zult het mijn en dijn tot op zekere hoogte moeten respecteren, gij zult uw afspraken in de meeste gevallen moeten nakomen. Elke gemeenschap heeft een dergelijke minimale moraal nodig. Is deze eenmaal gevestigd, dan komt er ruimte – omdat men te eten heeft en niet permanent bang hoeft te zijn voor honger, moord en doodslag – om cultuur tot ontwikkeling te brengen, vertrouwensrelaties met elkaar aan te gaan, om met elkaar tot sociale uitwisseling en samenwerking te komen. Onder gunstige condities komt uit deze samenwerking en sociale uitwisseling solidariteit voort en het vermogen zich ook in onbekende anderen in te leven.

Maar er is een tweede bron van moraal, die in het kader van deze bijeenkomst interessanter is, en dat is de bron van de verbeelding, dat is dus niet de reële wereld, maar de imaginaire wereld. Daar gaat het niet om de moraal van – zoals de Fransen zeggen -  de homme situé, maar om de moraal van de homme rêvé: de mens zoals hij zichzelf droomt, zoals hij zich wíllen zien, de mens die groter en beter is dan zichzelf, de mens die deel heeft aan het grotere, het hogere, de mens die nu en dan boven zichzelf en de minimale moraal uitstijgt: de mens die verlangt naar grandeur. En bovendien de mens die zijn grandeur mede vindt in het feit dat hij zich überhaupt  grandeur kan dénken.
Dankzij deze verbeeldingskracht in algemene zin - en even los van de verbeelding van grandeur, daar kom ik nog over te spreken - kan de mens betekenis geven aan zichzelf, aan zijn ervaringen, aan anderen, aan dingen en gebeurtenissen. Vooral de meest menselijke ervaringen zijn in alle culturen zwaar met betekenissen beladen, of wel “gesymboliseerd” zoals dat heet. Geboorte, dood, eeuwigheid, oorlog, liefde, trouw, de Vader, de Moeder, rechtvaardigheid, wijsheid, de Vorst,  het Goede, het Kwade, het Ware en het Schone: het zijn alle zwaar symbolisch beladen noties die onze interpretaties van onze omgeving en onze wereld bepalen. Deze symbolische orde is opgeslagen in het collectieve bewustzijn door middel van myhtes, epen, sagen, legendes en sprookjes.
Denkt u bijvoorbeeld aan de verhalen over Hector en Achilles, over Abélard en Heloise, over Tristan en Isolde, over Lancelot en Genevière en aan de eindeloze reeks van varianten op deze thema’s van moed en trouw, liefde en verraad, heldendom en lafheid. Het is belangrijk dat deze verhalen van generatie op generatie worden overgedragen en daardoor in het collectieve en individuele bewustzijn bewaard blijven. Want wie nooit van de liefde zou hebben gehoord, zou er ook nooit naar kunnen verlangen. Wie nooit van de morele grandeur van helden zou hebben gehoord – de viris illustribus - zou ook nooit naar morele grandeur kunnen verlangen.
De symbolische orde wordt gevoed vanuit de imaginaire orde, maar zij krijgt vervolgens een zelfstandige betekenis en kan daardoor - zoals de geschiedenis leert - ook een rigide, de imaginatie dodend of verbiedend, karakter krijgen.  Hoe dan ook, de symbolische orde, de orde van de voorstellingen die gevoed wordt vanuit de imaginaire orde, is de tweede bron van moraal: zij schrijft voor en prent in het bewustzijn in hoe men hoort te duiden, te interpreteren, te leven, voorbeelden moet volgen etc. Symbolische ordes scheppen dus eenheid en gemeenschap. Wij worden in deze symbolische ordes geboren, groeien erin op, ontlenen er onze identiteit aan, leiden erin ons leven en sterven er uiteindelijk in.  

In de symbolische orde van de westerse cultuur komt aan de mens grandeur toe. Het christendom liet de mens delen in de goddelijke grandeur. De mens heeft volgens het christendom een onsterfelijke ziel, draagt een goddelijke vonk in zich en zal opstijgen naar de hemel en het volmaakte, glorierijke bestaan. De pomp en praal van katholieke begrafenissen kunnen daarom zo imponerend zijn omdat het gestorven, nietige lichaam van zelfs de grootste zondaar wordt opgebaard in een imponerend kerkgebouw, wordt opgenomen in prachtige muziek, zoals een requiem, wordt omhuld door wierook, bloemen en gewaden en tenslotte door engelen naar het paradijs wordt geleid, in paradisum te deducant angeli.

Nu onze westerse cultuur niet langer wordt gedomineerd door het mensbeeld van het christendom, maar door het mensbeeld van de seculiere en liberale rechtsorde, ontleent de mens zijn grandeur niet meer aan de Goddelijke schepping en openbaring, maar aan de waardigheid van de mensheid, zoals na de Tweede Wereldoorlog in tal van internationale mensenrechtenverdragen keer op keer is vastgelegd. De menselijke waardigheid is het allereerste beginsel van de westerse rechtsordes. De mens die deze waardigheid draagt, de mens van de mensenrechten is een homme rêvé: een gedroomde mens. Hij is niet waardig wegens zijn menselijke natuur, maar juist omdat hij deze natuur heeft overwonnen. Hij laat zich niet leiden door angsten en agressie, door afgunst en benepenheid. Integendeel, de mens van de mensenrechten laat zich leiden en verlichten door zijn rationaliteit, door zijn verlangen zich te ontplooien door emancipatie, scholing en Bildung. Hij is autonoom in de letterlijke betekenis van zelf-wetgever. Hij stelt zichzelf wet en moraal en doet dat volgens de categorische imperatief. In zijn morele potenties ontvouwt deze beschavingsmens – het ideaal van de 18e en 19e eeuw - zijn grandeur.

Deze mens komt in de werkelijkheid niet vaak voor. De mens van de mensenrechten is dan ook gebaseerd op een beeld van de mens, en wel een imaginair beeld, ofwel: een contrafaktisch beeld: het staat tegenover de werkelijkheid en vervult een kritische functie ten aanzien van die werkelijkheid: zo zou de mens kúnnen en dus behóren zijn! Het morele gebod dat uit dit imaginaire beeld voortvloeit is heel reëel: behandel de homme situé als de homme rêvé. Geef hem recht op scholing en beschaving, koester zijn verbeeldingskracht, laat zijn talenten tot ontplooiing komen, krenk hem niet en beschadig hem niet, en bescherm hem – mede daardoor - tegen alles wat de duistere, destructieve kanten van zijn natuur weer tevoorschijn zou kunnen brengen. Want we geloven niet meer in de God-gelijkheid van de mens, noch  in de Romantische opvatting dat de mens een nobele wilde is, of in de opvatting van de Verlichting dat de mens een puur rationeel wezen zou zijn. De mens is daarentegen door en door ambivalent.

Ondanks de duurzaamheid van symbolische ordes wordt de twintigste eeuw de eeuw van de onttovering of wel van de desymbolisering genoemd. De geschiedenis is u bekend: wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, de vlucht van een vrije markteconomie, de emancipatie en individualisering van de burgers hebben de symbolische voorstellingen van de wereld en van ons zelf sterk veranderd. Vooral de genetische wetenschap laat ons weinig ruimte meer voor dromen van onze grandeur: genetisch zijn wij sterk verwant aan apen. De genetica en de medische biotechnologie zijn trouwens toch  illustratieve voorbeelden van het desymboliseringsproces dat zich voltrekt. Waarom zouden vrouwen hun baarmoeder niet mogen verhuren, hun eicellen niet mogen verkopen, waarom zouden mensen geen patent op hun genetisch materiaal mogen vestigen, hun organen niet mogen verkopen? Het antwoord van wetgever en rechter is nog steeds dat zulks in strijd zou zijn met de menselijke waardigheid, dat de mens niet gereduceerd mag worden tot een assemblage van weefsels en organen, die bovendien naar eigen believen geëxploiteerd kunnen worden.
De entertainmentcultuur is een ander sprekend voorbeeld van desymbolisering. De idee van de schaamte, de afzondering, de privacy – eeuwenoude noties - heeft steeds minder geldingskracht. Het obscene, het naakte, het tot object gereduceerde daarentegen steeds meer. Dat wat gevoelig, waardevol, menselijk is, wordt niet meer beschermd door betekenisvolle, symbolische voorstellingen, maar er juist van ontdaan. Niet de waardigheid van de mens, niet zijn grandeur, maar zijn onwaardigheid en zijn misère zijn interessant om te worden getoond.

Het valt niet te ontkennen dat we inmiddels duidelijke tekenen van, althans een behoefte aan resymbolisering zien. Ik wijs op de hernieuwde belangstelling voor religie en spiritualiteit, op een nieuw ecologisch bewustzijn voorbij de ecologische ideologie (de natuur als de oorspronkelijke bestaansvoorwaarde voor de mens), op de belangstelling voor lezingen en cursussen die over zingeving gaan.

Maar interessanter nog is de rol van de kunst, die bij uitstek in staat wordt geacht vanuit de imaginaire orde nieuwe symbolische voorstellingen te maken, niet het beeld van de nieuwe mens, maar wel nieuwe beelden van mensen;  nieuwe interpretaties van de wereld te geven, tot nieuwe dromen te verleiden. De kunst van de twintigste eeuw droeg zowel aan de onttovering en de desymbolisering van de wereld bij, maar ging er ook tegen in. Denkt u aan het constructivisme enerzijds en het surrealisme anderzijds.

Ik heb geen overzicht van de hedendaagse kunst en heb als eenvoudige jurist ook geen enkele pretentie in die richting. Wel valt mij op dat op dit moment drie grote tentoonstellingen samenvallen: In Parijs was deze zomer de tentoonstelling Traces du Sacré te zien: Sporen van het Heilige; In het De Pontmuseum in Tilburg loopt op dit moment Mapping Out Paradise van Marc Mulders en Claudy Jongstra. En hier in Arnhem de tentoonstelling Grandeur onder curatorschap van Anna Tilroe. Het Heilige, het Paradijs, Grandeur: het lijken me geen autonome kunstbegrippen. Ze verwijzen eerder naar een wereld waar nog symbolische eenheid bestond: de eenheid van het heilige, de gemeenschappelijke, paradijselijke oorsprong van de mensheid, en naar dat wat in potentie in de mens aanwezig is en waaraan hij zijn waardigheid ontleent: grandeur. Deze drie tentoonstellingen grijpen niet aan bij een religieus systeem, laat staan bij religieus gefemel, maar bij het vermogen van de mens tot transcendentie, tot verbeelding van een andere wereld, weliswaar een imaginaire wereld, maar volgestroomd met actuele beelden.

Als ik deze beelden goed lees, dan valt me op dat veel beelden naar de natuur en de elementen verwijzen: lucht, water, aarde en vuur. Claudy Jongstra verwijst direct naar de natuur waar zij gebruik maakt van wol, vilt en zijde. Marc Mulders verwijst direct naar de elementen en naar dieren en planten. In Sonsbeek gebeurt dat indirecter. Veel beelden spelen in op lucht, water en aarde: in water ondergedompelde en water spuwende staatshoofden; dieren die door mensen worden gedragen; een horizontale boom; bijen en korven boven een waterspiegel een zich op de aarde vleiende lazy king; een vlag die wappert, ballonnen die aan de aarde zijn vastgeklonken.
Is er sprake van een resymbolisering of hersacralisering van de natuur: een van de eerste en meest fundamentele ervaringen van de mens als een in en door de natuur levend wezen? En dan voorbij de ecologische ideologieën?

Waar zit het morele moment in deze kunst? Als je – met de Franse filosoof Bachelard – de verbeelding definieert als de dromende wil, dus het wilsmoment in de droom benadrukt en daarmee de droom van zijn vrijblijvendheid ontdoet, dan komt een kunst in zicht die een beroep doet op de toeschouwer. Die moet zijn passiviteit opgeven, die moet niet wachten tot de beelden hem worden aangereikt, maar die moet de beelden opnemen, die moet de beelden dragen, en al dragend wordt hij door de beelden veranderd. De toeschouwer wordt dus verleid om te handelen en wel om een hoogte te bereiken die voor ons in principe mogelijk is. Op deze wijze stellen de tentoonstelling en de processie het thema grandeur heel precies aan de orde.

Want wat is – tenslotte -  grandeur? Het is het oudste vermogen van de mens om zich op te richten – de homo erectus – om zichzelf te verticaliseren, de hoogte te denken, en in relatie te treden tot de lucht die zich boven hem uitspant. Dit verheffen wordt gezien als een eenmalige gebeurtenis in de geschiedenis van de mens. Maar het is misschien beter dit als een dynamisch en zich telkens weer opnieuw voordoend proces te beschrijven. Die verticalisering, die verheffing is een beweging van stijgen én vallen. De zich oprichtende mens staat niet alleen met zijn benen op de grond, maar onder die grond opent zich ook een afgrond. De verschrikkingen van de twintigste eeuw hebben ons de diepte van die afgrond laten zien.  Maar ook heeft die eeuw het vermogen van de mens laten zien zichzelf daar weer uit te verheffen. Dit inzicht ligt naar mijn mening ten grondslag aan te tentoonstelling die vandaag wordt afgesloten.

Ik dank u voor uw aandacht.